In een uitspraak van 17 september 2013 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld over de vraag of voor de verschuldigdheid door een consument van de forfaitaire vergoeding voor buitengerechtelijke kosten de verzending en ontvangst van de zogenaamde veertiendagenbrief van art. 6:96 lid 6 BW en het verstrijken van de in die brief aangeduide termijn volstaat, of dat daarvoor nodig is dat nadere incassohandelingen hebben plaatsgevonden.

Kantonrechter

De kwestie speelde tussen een verhuurder (appellante) en een huurder (geïntimeerde). In eerste aanleg heeft de verhuurder gevorderd dat de huurder wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige huurpenningen, te vermeerderen met een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter heeft de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten afgewezen op de grond dat niet is gesteld dat appellante ná het versturen van de aanmaning als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW nog buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. Ter zake van deze afwijzing ging de verhuurder in hoger beroep.

Uit het bestreden vonnis volgt dat de kantonrechter uit is gegaan van de opvatting dat voor de verschuldigdheid van de forfaitaire vergoeding voor buitengerechtelijke kosten méér nodig is dan de verzending en ontvangst van de veertiendagenbrief en het verstrijken van de in die brief aangeduide termijn. In die opvatting dient de schuldeiser een of meer nadere incassohandelingen te verrichten naast het verzenden van een veertiendagenbrief.

Gerechtshof

Het gerechtshof brengt vervolgens een drietal overwegingen naar voren die ertoe leiden dat de opvatting van de kantonrechter niet wordt gevolgd. Deze overwegingen zijn als volgt:

  1. In artikel 6:96 lid 6 BW valt geen duidelijk aanknopingspunt aan te wijzen voor een vereiste van een extra incassohandeling naast de veertiendagenbrief;
  2. Gedurende de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel "Normering buitengerechtelijke incassokosten'' zijn erdiverse uitlatingen gedaan die erop wijzen dat voor de verschuldigdheid van de forfaitaire vergoeding van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten de veertiendagenbrief volstaat;
  3. Uit de wetsgeschiedenis blijkt overvloedig dat het de strekking van het wetsvoorstel mede is geweest om aan alle betrokkenen (schuldenaren, schuldeisers en incassogemachtigden) duidelijkheid te verschaffen over de hoogte van het ter zake van buitengerechtelijke incassokosten verschuldigde bedrag en dat in verband daarmee wordt geabstraheerd van de aard en omvang van de daadwerkelijk in individuele gevallen verrichte incassohandelingen. Daarbij heeft, zo begrijpt het hof, een rol gespeeld dat de schuldenaar het in veel zaken niet op een civiele procedure laat aankomen, zodat rechterlijke toetsing van de aard en omvang van de daadwerkelijk in rekening gebrachte incassokosten veelal niet plaatsvindt. Dat vraagt om een eenvoudig en eenduidig stelsel. Indien naast de in de wet omschreven veertiendagenbrief voor de verschuldigdheid van de forfaitaire vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten door de rechter nadere eisen worden gesteld, doet dat aan die strekking van het wetsvoorstel dus afbreuk.

Op grond van de bovengenoemde drie elementen heeft het gerechtshof aldus overwogen dat het voor de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten niet nodig is dat nadere incassohandelingen hebben plaatsgevonden.

(bron: www.rechtspraak.nl)