In de uitspraak van 16 januari 2015 heeft de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam, locatie Amsterdam in kort geding geoordeeld dat een taxi (vooralsnog) niet valt onder de ‘gereedschappen van ambachtslieden en werklieden, tot hun persoonlijk bedrijf behorende’ als bedoeld in artikel 447 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna te noemen: Rv).  

Wat vooraf ging 

Bij vonnis van 2 november 2012 van de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam, locatie Amsterdam is gedaagde, werkzaam (geweest) in de taxibranche, op vordering van eiser bij verstek veroordeeld tot voldoening aan eiseres van meerdere geldbedragen. 

Na betekening van het verstekvonnis, is op verzoek van eiser ten laste van gedaagde executoriaal beslag gelegd op onder meer de auto c.q. taxi, die in eigendom toebehoort aan gedaagde. Nadat gedaagde bij exploot is aangezegd per omgaande tot betaling van het verschuldigde over te gaan, bij gebreke waarvan de beslagen zaken kunnen worden verkocht, heeft de deurwaarder namens eiser medegedeeld dat is besloten de verkoop van de auto op 16 januari 2015 te laten doorgaan. 

Eiser heeft tegen het verstekvonnis geen rechtsmiddel aangewend. Wel is zij ingevolge artikel 438 lid 2 Rv een executiegeschil gestart bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam, locatie Amsterdam.
 

Geschil 

Eiser in kort geding heeft gevorderd dat gedaagde in kort geding, op straffe van verbeurte van een dwangsom en tot betaling van de schade die zij heeft geleden ten gevolge van de beslaglegging, nader op te maken bij staat, wordt veroordeeld tot: 

1. staking van de op 16 januari 2015 voorgenomen openbare verkoop van de in beslag genomen auto;
2. opheffing van het beslag;
3. teruggave van de auto aan eiser in kort geding.
 

De vordering die eiser in kort geding (onder meer) aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd is dat de beslaglegging in strijd is met artikel 447 Rv, omdat de auto een taxi is waarmee eiser in kort geding in zijn levensonderhoud moet voorzien.
 

Beoordeling Voorzieningenrechter 

Artikel 447 Rv luidt als volgt: 

‘’Geen beslag  op roerende zaken mag, uit welken hoofde ook, gedaan worden:
(2°) op de gereedschappen van ambachtslieden en werklieden, tot hun persoonlijk bedrijf behorende’’.

De strekking van de beslagverboden is te voorkomen dat de schuldenaar ten gevolge van verhaal door de schuldeiser onbeperkt wordt getroffen, ook in zijn materiële en immateriële levensbehoeften, of de middelen om deze te verwerven. 

Ondanks dat de tekst van artikel 447 Rv gedateerd aandoet, biedt de rechtspraak tot op heden geen ruimte voor een extensieve interpretatie van deze bepaling. De voorzieningenrechter verwijst in dat kader naar een uitspraak van de Hoge Raad uit 1991 (ECLI:NL:HR:1991:ZC0283) waarin nog is bepaald dat een arts, die zich erop beriep zijn apparatuur nodig te hebben om inkomsten te verwerven, gezien zijn opleiding en maatschappelijke mogelijkheden, niet valt onder het begrip ‘ambachtslieden en werklieden’. 

Ter onderbouwing van zijn vordering heeft eiser in kort geding de voorzieningenrechter voorts gewezen op 1) een voorstel van wet waarin is voorgesteld de tekst van artikel 447 Rv te wijzigen en 2) het preadvies van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders van november 2012 waarin ook de deurwaarders zich voor een dergelijke wetswijziging uitspreken. In reactie daarop acht de voorzieningenrechter – anders dan dat eiser in kort geding heeft bepleit – geen termen aanwezig om op de voorgestelde wijzigingen thans, in afwijking van de huidige wet en de rechtspraak tot nu toe, vooruit te lopen. De voorzieningenrechter deelt daarom niet het standpunt van eiser in kort geding en oordeelt dat de inbeslagname van de taxi geen strijd oplevert met enige wettelijke bepaling.
 

(bron: www.rechtspraak.nl)